kogels

Met zijn handen staat hij tegen de muur, daar waar zijn rug die eigenlijk zou moeten raken. Gewapend met de meest boze, giftige woorden om al het verdriet van de hele wereld te kunnen afweren. Onmacht ook. Mijn schild is de laatste weken voorzichtig gestript en naar mijn veile bunker in Duffel kan ik ook niet meer. Hoe ik voor hem sta is wat ik ben: een hoopje verdriet.

Alle verwijten en krakende zinnen doorboren me en hij is nog steeds de man van mijn leven en daar neem ik dan nu ook alles bij wat een gebroken man dan doet. Ik laat mijn tranen rollen, hij lacht ermee. Ik kan moeilijk ademen, hij lacht nog wat meer en ik zeg dan maar dat ik van hem hou. Dat ik uit zijn leven moet blijven, iets met een hoer.  Dat ik dan weer zoveel spijt heb, me verloren voel en nog duizend keer meer sorry wil zeggen.

Praten doen we eigenlijk niet. Het is eerder een neanderthalerachtig emotioneel schouwspel van grommen, gebeten worden en afweren. Verwijten incasseren, erboven proberen staan en hopen dat ik niet breek. Maar ik hou van hem. Ik hou nog zoveel meer van hem omdat hij zo gebroken is en de meest slechte manier kiest om het me duidelijk te maken. Hoer.

Hij wilt niet praten. Hij praat altijd weinig en zeker niet over zichzelf. Luisteren dan weer wel, dat moet ook wel als je samen kon zijn met iemand met een mond die sneller beweegt dan dan het hartje klopt. Maar waarom ben ik dan gestopt met praten?

En daar sta ik. Nogmaals sorry. En in het schrale licht zie ik zijn droeve ogen nog giftiger worden. Ik mag niet praten en hij wilt vooral niet luisteren. Ik voel hoe we alle twee niet goed weten hoe we op een constructieve manier boos kunnen worden terwijl we tegenover elkaar staan in de kamer en beiden tegenovergestelde boodschappen brengen.

Hij: ik haat je.
Ik: ik hou van jou.

Ik ga even weg en als ik terug kom zit hij met lege ogen naar het computerscherm te staren. Zijn ogen proberen me te ontwijken maar zoeken mijn blik en vuren nog wat kogels af. Ik wou dat ik terug in mijn veilig holletje kon kruipen en voor altijd kon slapen.

Vroeger zou hij tegen mij nooit foute woorden gebruiken, want met mij wou hij geen ruzie. Maar in een situatie als deze zijn er in zijn hoofd niet al te veel juiste woorden en dus vuurt hij maar af. En ik. ik breek. En ik vind het prima. Scheur me maar aan stukken. Beloof je dan minder boos te worden na een tijdje verwijten?

Ik voel me innerlijk gepletwalst en ook lichamelijk gaat het er niet goed op als ik een slechte dag heb. Geen honger, geen slaap, geen zin in leven meer. Ik leg mijn handen op mijn gezicht en doe wat ik al jaren aan het doen ben: ik ween. Mijn God, wat ben ik een getraind janker geworden de laatste jaren. Het kan niet anders dan dat hij denkt dat ik het op bevel kan.

Het verschil is dat ik het nu kan, het niet meer moet verbergen omdat ik het voordien met niemand kon delen. Mijn verdriet begrijp je niet,  jouw boosheid begrijp ik wel.

Dit is geen ruzie. Ruzie maken doe je met twee.  Het is eerder een stil sterven door mijn schuld.

Ik hou van jou, meer dan dit, meer dan alles en altijd. Het zal altijd meer zijn.
Als ik kon dan zou ik in je kruipen en daar voor altijd veilig blijven zitten.

Zonnepaneeltje

Het is wat het is. Wat het is, is niet wat ik wil. 

Als ik kon, dan zou ik elke dag opnieuw de allergrootste hernieuwbare warmtebron zijn. Onuitputtelijk. Inpluggen is zelfs niet nodig. Blijven gaan. Blijven geven.

Van duizend kilometers afstand zou je me elke dag opnieuw voelen stralen, warmte voelen afgeven, je voorzien van alles wat je nodig hebt. Waar je ook gaat, altijd volgen mijn stralen.  Als een verwarmende fleece ban ik de rillingen uit je lichaam en als hete houtvuurwarmte kan je mij inademen. Als een knetterend vuurtje kruip ik in je en als een condenserende ademdamp kom ik je mond uit. Rond je lippen maak ik wat gekke cirkels en verander van perfect uitgepuft rondje in een vrolijk dier dat zachtjes uit elkaar druppelt om te verdampen, recht de ijskoude schrale lucht in.

Vuurwerk. Voor altijd zomer in de winter.

En bij elke seconde zon draag ik mijn gouden broek en beklim ik de hoogste bergen met de grootste bomen om zoveel mogelijk zon op te vangen.  Ik hang, lig, rek me uit, spring, rol. Ik doe alles in de hoop een zonnepaneeltje te worden. Een onuitputtelijke warmtebron die doet wat moet: verwarmen, stralen en betrouwbare constante energie aanleveren.

En klimmen dat ik doe. Met al mijn gouden benen. En mijn kompas dat enkel het zuiden toelaat.

9136ce853e74d59b505f9335ef3a9be1[1]Maar wat het is, is niet wat ik wil. En wat het is, is een tropisch klimaat met orkanen, stortbuien en modderstromen. En af en toe, tussen al dat stormen en takken afrukken, is daar het zonnepaneeltje. Want altijd is er de zon, die zelfs van duizend kilometers ver mijn gouden broek laat smelten, me opvult met warmte en me zo verhit dat ik zelfs een koel meertje kan laten borrelen.